Laonikos Chalkokondyles, Vlad Dracul de spietser (ca. 1465)

Laonikos Chalkokondyles (Λαόνικος Χαλκοκονδύλης, ca. 1430-ca. 1470) werd geboren in een aristocratische familie uit Athene, maar verhuisde op jonge leeftijd naar Mystras in de Peloponnesos. Daar werd de jongen leerling van de beroemde filosoof Gemistos Plethon, die hem onder meer liet kennismaken met de 'Historiae' van Herodotos. Na de val van Konstantinopel trad Chalkokondyles dan ook in de voetsporen van deze 'vader van de geschiedschrijving' met zijn historiografie 'Ἀποδείξεις Ἱστοριῶν' ('Weergaven van mijn onderzoekingen'). Het werk behandelt in tien boeken de belangrijkste gebeurtenissen uit de laatste 150 jaar van de Byzantijnse wereld, met de opkomst van de Ottomanen en de ondergang van het Oost-Romeinse Rijk. In het negende boek vertelt Chalkokondyles het verhaal van de legendarische Vlad III Dracula (‘Tepes’ ofte 'Spietser', ca. 1428-1476). Deze vorst van Walachije (in het hedendaagse Roemenië) wist de oprukkende Mehmed II enkele stevige nederlagen toe te brengen, onder meer toen de Turkse sultan in juni 1462 met zijn troepen de verlaten stad Târgoviște wou binnentrekken.

Pascasius Justus Turcq, Gokverslaving is een ziekte (1561)

Pascasius Justus Turcq (Paschier Joosz Turck, ca. 1520-nà 1591) werd geboren in Eeklo en studeerde als volwassene filosofie en geneeskunde aan diverse Italiaanse universiteiten. Na zijn terugkeer in de Nederlanden werd hij stadsarts in Bergen op Zoom, maar ook lijfarts van verschillende vooraanstaande notabelen. Toen Willem van Oranje op 18 maart 1582 in Antwerpen tijdens een moordaanslag door een kogel werd getroffen, was het Pascasius die het bloeden wist te stelpen en het leven van de beroemde staatsman redde. Tijdens zijn verblijf in Padua schreef Turcq zijn twee boeken 'Alea, sive de curanda ludendi in pecuniam cupiditate' (‘Het dobbelspel, of over het genezen van de drang om voor geld te spelen’). Het werk is uniek omdat het gokverslaving op een medische manier benadert, zonder het a priori als een moreel falen te categoriseren. Turcq presenteert gokken als een speelse activiteit die echter tot dwangmatig gedrag kan leiden waarvan men zich nauwelijks nog kan bevrijden. In het voorwoord van zijn 'Alea' zet de auteur gokverslaving als een geestesziekte naast de reeds voldoende bestudeerde passionele liefde.

Prudentius, De folterdood van een leraar (ca. 400 n.C.)

Aurelius Prudentius Clemens (348-ca. 410 n.C.) werd geboren in Spanje, waar hij een succesvol jurist werd en het zelfs schopte tot provinciegouverneur. Na een carrière aan het keizerlijke hof keerde hij zich van de wereld af om zich te wijden aan een ascetisch leven in het teken van vasten en schrijven. In zijn omvangrijke dichterlijke oeuvre ziet Prudentius het christelijke Rome als een natuurlijke verderzetting van de klassieke wereld en toont hij zich een groot bewonderaar van Vergilius en Horatius. Zijn poëzie werd pas vrij laat na zijn dood algemeen bekend, maar oefende vervolgens een grote invloed uit op de literatuur en beeldende kunsten van de middeleeuwen. Een van de opmerkelijkste van Prudentius’ dichtwerken is het zogenaamde 'Liber Peristephanon' (‘Het boek van gekroonde martelaren’), een collectie van veertien lyrische gedichten over christelijke martelaren. Het negende gedicht, opgesteld in een combinatie van hexameters en zesvoetige jamben, beschrijft de gruwelijke dood van Cassianus van Imola, een strenge leraar die door zijn wraaklustige leerlingen op een morbide wijze werd doodgefolterd. Zijn marteldood maakte Cassianus tot beschermheilige van onderwijzers.

Anonymus, Lyrische hymne voor de Moiren (4e eeuw v.C.?)

De rijke archaïsche Griekse lyriek die grote auteurs als Sappho, Alkaios en Pindaros had voortgebracht, doofde vanaf de klassieke periode langzaam uit. In de hellenistische tijd werd nieuwe lyrische poëzie voornamelijk gelezen, maar toch werden ook nu nog gedichten gecomponeerd voor publieke voordracht bij lokale vieringen of religieuze festivals. Het leeuwendeel van deze dichtkunst is verloren gegaan, maar dankzij papyrusvondsten en citaten bij andere auteurs beschikken we nog over aanzienlijke, meestal anonieme, fragmenten uit deze latere lyrische poëzie. Zo maakte de Griekse geleerde Ioannes Stobaios in het begin van de vijfde eeuw n.C. voor zijn zoon een omvangrijke bloemlezing met thematisch gerangschikte citaten uit meer dan vijfhonderd Griekse auteurs: de 'Ἔκλογαι' ('Eclogae'). Onder de titel 'Περὶ εἱρμαρμένης καὶ τῆς τῶν γινομένων εὐταξίας' ('Over het fatum en de goede orde van gebeurtenissen', I.5.10-12) citeert de compilator een anonieme lyrische compositie, waarin de Moirai of schikgodinnen worden aanbeden.

Petrus Pictor, Lof van Vlaanderen (ca. 1110)

Petrus Pictor (‘Pieter de Schilder’) was de zoon van een zekere Johannes en was wellicht actief tijdens het laatste kwart van de elfde en eerste kwart van de twaalfde eeuw. Hij was als kanunnik verbonden aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Sint-Omaars in Frans-Vlaanderen, misschien als miniaturist of kopiist in het scriptorium. Op naam van Petrus Pictor zijn een achttiental Latijnse gedichten overgeleverd, die handelen over de oudheid, over wantoestanden in de Kerk en over de verdorvenheid van vrouwen. Het bekendste van zijn dichtwerken is ongetwijfeld 'De laude Flandriae' ofte 'Lof van Vlaanderen', dat gedateerd wordt rond het jaar 1110. Het werk bezingt de glorie van Vlaanderen en haar geschiedenis in 44 hexameters die rijmen vóór de cesuur en aan het verseinde. Op het einde van het gedicht, dat niet op alle punten even duidelijk is en best wel wat historische achtergrond veronderstelt, lijkt Pictor afscheid te nemen van Vlaanderen. Deze (gedwongen?) ballingschap vult de dichter echter met melancholie en heimwee naar zijn geliefde vaderland.

Heinrich Cornelius Agrippa, Over de superioriteit van de vrouw (1529)

Heinrich Cornelius Agrippa (1486-1535) werd geboren in het Duitse Nettesheim en studeerde aan de universiteit van het nabijgelegen Keulen en later in Parijs. Als jongeling trok hij naar Spanje om er als huurling dienst te doen in het leger van keizer Maximiliaan I. Daarna werd Agrippa een beschermeling van Margaretha van Oostenrijk en bracht een carrière als theoloog, medicus, magiër en jurist hem naar Frankrijk, Italië, Duitsland en Zwitserland. Een groot deel van zijn intellectuele werk was gewijd aan occulte thema’s en aan problematische theologische kwesties, die hem meermaals blootstelden aan verdenkingen wegens ketterij, gevangenschap en vervolging. Daarnaast is Agrippa echter ook de auteur van een opmerkelijke tekst met de titel 'Declamatio de nobilitate et praecellentia foeminei sexus' (‘Redevoering over de voortreffelijkheid en superioriteit van het vrouwelijke geslacht’, 1529). Het werk gaat in tegen de misogyne Griekse, Romeinse en Bijbelse traditie en betoogt dat vrouwen door sociale conditionering, opvoeding en voordelen de hele geschiedenis werden onderdrukt, ondanks hun superieure kwaliteiten. Agrippa’s proto-feministische betoog kende een grote verspreiding en werd nog vele eeuwen gedrukt, vertaald en becommentarieerd.

Baptista Mantuanus, Het karakter van de vrouw (1498)

Baptista ‘Spagnoli’ Mantuanus (1447-1516) kwam voort uit een Spaanse familie die zich had gevestigd in het Italiaanse Mantua. Na studies in zijn geboortestad en in Padua bouwde hij een succesvolle religieuze carrière uit bij de orde van de Karmelieten. Zijn hele leven door bleef Mantuanus daarnaast ook schrijven aan een omvangrijk Latijns oeuvre dat bestaat uit diverse prozawerken en meer dan 55 000 verzen. Zo publiceerde hij 'Parthenice Mariana' (1481), drie boeken ter ere van de Maagd Maria; 'De Calamitatibus temporum' (1489), drie immens populaire boeken over de rampen die het Italië van zijn dagen overkwamen; en de 'Alphonsus', over Alfonso van Aragon. Veruit Mantuanus’ invloedrijkste dichtwerk was echter zijn 'Adulescentia' (1498), een collectie van tien eclogen waarin hij Vergiliaanse pastorale personages en thema’s combineerde met christelijke allegorie. Zijn herdersgedichten leverden hem de naam de ‘christelijke Vergilius’ op en werden nog eeuwenlang op school gelezen. Bijzonder populair was Mantuanus’ vierde ecloge, waarin de dichter zijn herdersfiguur Alphus een virulente diatribe laat afsteken tegen het vrouwengeslacht.

Symeon Seth, De schildpad en de eenden (ca. 1080)

Symeon Seth (Σήθ, ca. 1035-1110), geboren in Antiochië (het huidige Antakya in Turkije) was een Byzantijnse geleerde die werkzaam was aan het hof van de keizers Michael VII Doukas en Alexios I Komnenos. Hij was onder meer de auteur van een 'Σύνταγμα κατὰ στοιχείων περὶ τροφῶν δυνάμεων' ('Compendium over de werking van voedingsmiddelen volgens de elementen') en een 'Σύνοψις τῶν φυσικῶν' ('Overzicht van de natuurelementen'). Volgens de beroemde Byzantijnse historica Anna Komnena (1093-1153) kreeg Symeon Seth omwille van zijn kennis van het Arabisch vanwege keizer Alexios I omstreeks 1080 de opdracht om een vertaling te maken van de 'Kalīla wa-Dimnad'. Dat was een invloedrijke collectie Arabische dierenfabels uit de achtste eeuw die zelf via een Perzische en een Syrische versie weer terugging op een origineel in het Sanskriet. De Griekse vertaling van Seth kreeg de titel 'Τὰ κατὰ Στεφανίτην καὶ Ἰχνηλάτην' of 'Stephanites en Ichnelates', verwijzend naar de namen van de twee jakhalzen die als vertellers en protagonisten van de fabels optreden. Een van deze fabels (40) vertelt het verhaal van een onfortuinlijke schildpad.

Jordanes, De grimmigheid van de Hunnen (6e eeuw n.C.)

Jordanes (of Jordanis) was een Oost-Romeinse historicus van Gotische afkomst. Hij is de auteur van een Latijnse 'Romana' over de geschiedenis van Rome, maar zijn bekendste werk is 'De origine actibusque Getarum', kortweg 'Getica', geschreven in Constantinopel omstreeks 551 n.C. Jordanes zou dit werk naar eigen zeggen hebben aangevat op vraag van een vriend en bedoeld als een samenvatting van de erg omvangrijke geschiedenis van de Goten van Cassiodorus (ca. 490-ca. 583 n.C.). Omdat het originele werk van Cassiodorus echter verloren is gegaan, vormt Jordanes’ 'Getica' een van de belangrijkste bronnen voor de eeuwenlange migraties van Ostrogoten en Visigoten naar het Romeinse Rijk. De auteur beschrijft hierin onder meer de invasie van de Hunnen in het gebied van Goten en Alanen. Dat brengt Jordanes er ook toe het schrikaanjagende uiterlijk en de ruwe barbaarsheid van de Hunnen uit de doeken te doen (XXIV.127-128).

Joseph Tusiani, In het metrostel (1994)

Joseph Tusiani (1924-2020) werd geboren in San Marco in Lamis, een klein dorpje in het Italiaanse Puglia. Met een doctoraatstitel van de universiteit van Napels op zak emigreerde hij in 1947 naar de Verenigde Staten, waar hij zijn leven lang taal en literatuur zou doceren aan verschillende universiteiten. Tusiani was daarnaast ook een ijverig schrijver en vertaler die publiceerde in het Italiaans, Engels, Latijn en Gargano, het dialect van zijn geboortestreek. Zijn veelzijdige oeuvre omvat poëzie, vertalingen, essays, een roman en een driedelige autobiografie, een literaire productie die hem talrijke prijzen opleverde, in Amerika en Italië. Tusiani’s Latijnse dichtwerken 'Melos Cordis' (1955), 'Rosa Rosarum' (1984), 'In Exilio Rerum' (1985), 'In Nobis Caelum' (2007) en de verzamelbundel 'Carmina Latina' (1994) maken hem bovendien tot een van de belangrijkste hedendaagse Latijnse dichters. In het ritmische gedicht 'In vehiculo subviario' evoceert hij de menigte die iedere ochtend op weg naar het werk opeengepakt staat in de drukke metro van New York.

Andrzej Krzycki, Vijf stappen om te sterven voor de liefde (1537)

Andrzej Krzycki (Andreas Cricius, 1482-1537) werd geboren in een vooraanstaaande familie uit Krzycko Małe, een plaatsje in het huidige Polen. Zijn gegoede afkomst stelde hem in staat om retoriek, kerkelijk én burgerlijk recht te gaan studeren in Italië, onder meer aan de universiteit van Bologna. Krzycki trad vervolgens in dienst van de Poolse koning Sigismund I en startte bovendien een kerkelijke carrière die hem de titel van bisschop en uiteindelijk zelfs die van aartsbisschop zou opleveren. Tijdens zijn leven schreef Krzycki proza en poëzie, zowel in het Pools als in het Latijn. Een groot deel van zijn Latijnse œuvre is gelegenheidspoëzie, maar daarnaast schreef hij ook religieuze dichtkunst en verzen die het Poolse hofleven bezingen. Een kleiner segment van Krzycki’s Latijnse dichtkunst wordt ingenomen door epigrammen en liefdesgedichten. In 'Ad amicam quinque lineae amoris' of 'Tot zijn liefje, de vijf fasen van de liefde' ('Carmina amatoria' XVII) alludeert de dichter op de traditionele vijf ‘stappen’ in de liefde: visus, allocutio, tactus, osculum en coitus.

Arion (?), Hymne voor Poseidon (6e eeuw v.C.)

Arion (Ἀρίων) was een legendarische Griekse zanger en volgens sommige bronnen de uitvinder van de dithyrambe. Hij was afkomstig uit Methymna op Lesbos, maar zou een groot deel van zijn leven hebben doorgebracht aan het hof van de Korinthische tiran Periander (ca. 627-585 v.C.). Herodotos vertelt hoe Arion na een muziekwedstrijd op Sicilië met zijn trofeeën terugvoer naar Korinthe, maar onderweg door hebzuchtige piraten werd beroofd en zich na een laatste muzikale performance in zee stortte. De zanger werd echter door dolfijnen gered en in veiligheid gebracht naar kaap Tainaron. Later zou Apollo Arion een plaats geven tussen de sterren, samen met een dolfijn. De Romeinse auteur Claudius Aelianus (‘Ailianos’) bewaart in zijn Griekse werk 'Περὶ ζῴων ἰδιότητος' ('De Natura Animalium', 12.45) een hymne voor Poseidon, die als inscriptie zou zijn aangebracht op een standbeeld bij kaap Tainaron. De tekst is opgesteld als een hymnische dankbetuiging vanwege Arion voor de zeegod en voor de dolfijnen die hem hadden gered.

Heinrich Bebel, Een lul van een priester (1508)

Heinrich Bebel (Henricus Bebelius, ca.1473-1518) was een grote Duitse humanist uit de renaissance. Als professor poëzie en retoriek aan de universiteit van Tübingen verzorgde hij diverse tekstuitgaven, maar ook eigen publicaties in het Latijn. Tot Bebels werken behoren onder meer het allegorische epos 'Triumphus Veneris', een lofrede voor keizer Maximiliaan I (die hem tot 'poeta laureatus' kroonde) en een spreekwoordenboek met de titel 'Proverbia Germanica'. Zijn populairste werk was echter de 'Facetiae', een collectie van 441 grappige anekdotes en fabels, verdeeld over drie boeken. De auteur plaatst zich daarmee in een lange traditie die natuurlijk vooral bekend is om de 'Facetiae' van Poggio Bracciolini (1380-1459). Bebel benadrukt in zijn voorwoord de nood om in het drukke leven af en toe ontspanning te vinden in grappen en grollen. Hij excuseert zich regelmatig voor sommige obscenere verhalen en voor zijn voortdurende kritiek op de clerus, al voegt hij er graag aan toe dat het hypocriete en libertijnse gedrag van priesters en monniken nu eenmaal spot en smaad uitlokt, zoals in 'Facetiae' I.55.

Petrus Stratenus, De zoentjes van mijn Chloë (1641)

Zoengedichten zijn een van de meest intrigerende fenomenen uit de Latijnse literatuurgeschiedenis. Antieke zoenmotieven uit de verzen van Catullus en de 'Anthologia Graeca' vonden in de renaissance hun weg naar de Neolatijnse poëzie van Italiaanse humanisten en staken vervolgens ook de Alpen over. In de Lage Landen werd Latijnse kuspoëzie zelfs een ware hype dankzij de onovertroffen Janus Secundus (1511-1536), die met zijn 'Basia' als het ware een dichterlijk subgenre creëerde. Secundus’ negentien zoengedichten werden bij ons vooreerst geadoreerd en geïmiteerd door Janus Dousa sr. (1545-1609) uit Leiden en Janus Lernutius (1545-1619) uit Brugge. Een latere en minder bekende Secundus-epigoon was Pieter Van der Straten (Petrus Stratenus, 1616-1641). Hij werd geboren te Goes, studeerde in Leiden en promoveerde te Orléans, om uiteindelijk stadssecretaris te worden in zijn moederstad. Na zijn vroegtijdige dood werden Stratenus’ verzamelde gedichten uitgegeven onder de titel 'Venus Zeelanda et alia eius Poemata', met daarin onder meer een collectie van negentien 'Basia'. In zijn 'Basium VIII' bezingt de dichter de rozige zoenen van zijn liefje Chloë.

Loukianos (?), Over het zangtalent van keizer Nero (tweede eeuw n.C.)

Op naam van de beroemde Griekse satiricus Loukianos (ca. 125-180 n.C.) is een korte dialoog bewaard onder de titel 'Nero of het graven door de Isthmos'. Het auteurschap van de tekst is echter zwaar betwist en de meeste specialisten gaan er tegenwoordig van uit dat het werkje wellicht van de hand is van dezelfde Philostratos (ca. 170-ca. 247 n.C.) die ook 'Het Leven van Apollonios' heeft geschreven. Hoe het ook zij, in deze intrigerende dialoog bespreken een zekere Menekrates en de beroemde filosoof Musonius Rufus (eerste eeuw n.C.) de poging van keizer Nero om een kanaal te graven door de Isthmos, de smalle landengte die het Griekse vasteland verbindt met de Peloponnesos. De discussie, die zich kennelijk afspeelt op het Egeïsche eiland Gyara, dwaalt uiteindelijk af naar het thema van Nero’s zangcarrière en muzikale talenten. Volgens Musonius is de keizer heus niet zo’n slechte zanger, zolang hij zich maar beperkt tot wat hij met zijn bescheiden talenten aankan. Van zodra hij echter hogere ambities koestert, botst hij op de grenzen van zijn fysieke kunnen en wordt zijn optreden al snel potsierlijk en lachwekkend.

Joseph Bradney, In Vlaamse velden gesneuveld (1918)

Joseph Alfred Bradney (1859-1933) was afkomstig uit Wales en studeerde onder meer aan Trinity College, Cambridge. Hij ging vervolgens echter in het leger en diende nog op het einde van de Eerste Wereldoorlog op respectabele leeftijd in de Territorial Force Reserve, in Noord-Frankrijk en in de Westhoek. Daarnaast was Bradney ook als historicus actief en schreef hij een monumentaal werk over de geschiedenis van Monmouthshire, zijn geboortestreek. In zijn vrije uren las hij echter ook gretig de klassieken en schreef hij bovendien zelf proza en poëzie in het Latijn, vaak om de ellende van de oorlog van zich af te zetten. Deze Latijnse composities verzamelde hij na de 'Great War' in zijn 'Noctes Flandricae' (1919) of 'Nachten in Vlaanderen'. Het meest ontroerende gedicht uit Bradney's bundel is ongetwijfeld het hendecasyllabische afscheidsgedicht voor zijn zoon Walther, die in maart van het laatste oorlogsjaar aan het westelijke front in een verschroeide tank was gesneuveld.

Juan Latino, De zeeslag bij Lepanto (1573)

De slag bij Lepanto was een van de grootse zeeslagen uit de wereldgeschiedenis. In de buurt van het huidige Naupaktos, aan de nauwe ingang van de Korinthische Golf, ging een geallieerde vloot onder bevel van ‘Don Juan’ van Oostenrijk op 7 oktober 1571 de confrontatie aan met de Ottomaanse armada. De meer dan tweehonderd christelijke schepen haalden een overwinning op de moslims en zorgden zo voor een immense vreugde in Europa. Een van de opmerkelijkste Neolatijnse lofzangen op deze glorieuze zege werd verrassend genoeg geschreven door een slaaf van zwart-Afrikaanse afkomst. Juan de Sessa, beter bekend als ‘Juan Latino’ (ca. 1518-ca. 1595) was een zwarte slaaf uit Ethiopië, die omwille van zijn talenten samen met de zoon van zijn Spaanse meester werd opgeleid. Hij excelleerde in klassieke talen en muziek, studeerde aan de universiteit van Granada en zou er later zelfs Latijn doceren. In het eerste boek van zijn epos 'Austrias Carmen' beschrijft Juan Latino de gruwelijke gevechten bij Lepanto.

Enea Silvio Piccolomini, De adembenemende lieflijkheid van Lucretia (1444)

Toen Enea Silvio Piccolomini (1405-1464) in Rome was verkozen tot paus Pius II, werd hij achtervolgd door vervelende demonen uit zijn verleden. In zijn jeugd had hij namelijk een liederlijk leven geleid, buitenechtelijke kinderen verwekt en zelfs gerebelleerd tegen de pauselijke almacht. Maar nu hij na een korte kerkelijke carrière paus was geworden, bezorgde niets hem zoveel verdriet en schaamte als de erotische novelle die hij destijds had geschreven: 'Historia de duobus amantibus' (‘Een verhaal van twee geliefden’). Piccolomini deed er dan ook alles aan om zijn pikante liefdeshistorie, wellicht gebaseerd op ware feiten, van de aardbol te doen verdwijnen. Zijn moeite was echter tevergeefs, want de tekst was intussen immens populair en groeide na de dood van de auteur zelfs uit tot een iconische bestseller. Het verhaal over de overspelige liefde tussen Lucretia en Euryalus, die worden verscheurd door de strijd tussen hart en verstand, hun gloeiende passie en de pijnlijke gevolgen, is ook voor een hedendaags leespubliek intrigerende lectuur. In het begin van zijn novelle beschrijft Piccolomini uitgebreid de eclatante schoonheid van zijn vrouwelijke hoofdpersonage Lucretia.

Julia Balbilla, Het beeld van Memnon groet keizer Hadrianus (130 n.C.)

Vrouwelijke stemmen uit de oudheid zijn bijzonder zeldzaam, maar toch valt er hier en daar nog iets verrassends te vinden. Julia Balbilla (Ἰουλία Βαλβίλλα, 72-130 n.C.) was een prinses van het hellenistische vorstendom Kommagene in het huidige Turkije, maar groeide op in het huishouden van haar grootvader Antiochus IV in Rome. Vanaf 129 n.C. reisde Balbilla mee als hofdame in het gezelschap van keizer Hadrianus naar Egypte. Tijdens zijn rondreis bezocht de keizer onder meer de twee reusachtige ‘kolossen van Memnon’, waarvan één volgens Pausanias (ca. 115-180 n.C.) iedere zonsopgang een geluid liet horen. Naar aanleiding van Hadrianus’ bezoek aan deze attractie schreef Julia Balbilla vier archaïserende epigrammen, die als inscripties op de linkervoet van een van de beelden zijn achtergelaten. Het eerste van deze gedichten beschrijft hoe het beeld de grote keizer Hadrianus tot driemaal toe begroette en hem zo als een gunsteling van de goden vereeuwigde.

Richard Croke, Een pleidooi voor de studie van het Grieks (1520)

Richard Croke (ca. 1489-1558) was de grote apostel van het hellenisme in Engeland. Na voorbereidende studies in zijn thuisland trok hij naar Parijs om er Grieks te leren bij Girolamo Aleandro (1480-1542) en Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536), die een steun en rolmodel zou worden tijdens zijn vroege carrière. Croke ging vervolgens ook zelf Grieks doceren, onder meer in Leuven, Keulen en Leipzig. Eens zijn reputatie was gevestigd, keerde hij terug naar Engeland, om er in Cambridge de studie van het Grieks uit te bouwen. In het eerste van zijn Latijnse 'Orationes duae' verdedigt Croke de intrinsieke waarde van de Griekse taal en spoort hij zijn studenten aan tot efficiënt 'time management' en volharding. Zijn bevlogen redevoeringen maakten zoveel indruk dat koning Henry VIII hem naar het hof riep om ook zelf Grieks te kunnen leren. Later zou Croke zelfs naar Italië worden gestuurd om daar de beruchte echtscheiding van de koning te gaan bepleiten.

Marco Girolamo Vida, De kruisweg van Jezus (1535)

Marco Girolamo Vida (ca. 1485-1566) zag het levenslicht in Cremona en werd na studies in Mantua, Bologna en Padua priester en uiteindelijk zelfs bisschop. Tijdens zijn leven schreef hij een indrukwekkende hoeveelheid Neolatijnse poëzie, zoals de didactische gedichten 'De arte poëtica' (‘Over de kunst van het dichten’) en 'Scacchia ludus' (‘Het schaakspel’). Vida’s magnum opus was echter de 'Christias', een episch dichtwerk in zes boeken over het leven van Jezus Christus, in een volmaakt vergiliaanse taal en stijl. De 'Christias' werd geschreven opdracht van paus Leo X (1475-1521), maar raakte pas vele jaren na diens dood gepubliceerd. Vida’s meesterwerk groeide daarna uit tot het populairste christelijke epos van de renaissance: het kende niet alleen talloze drukken en vertalingen, maar beïnvloedde ook het werk van grote dichters als Torquato Tasso en John Milton. In zijn vijfde boek beschrijft de dichter het leed van Jezus tijdens zijn kruisweg op Goede Vrijdag.

Pseudo-Ovidius, Tegen vrouwen (12e eeuw)

In de twaalfde eeuw kende de antieke dichter Ovidius (43 v.C.-17 n.C.) een ongekende populariteit, zozeer zelfs dat deze eeuw wel eens de ‘Aetas Ovidiana’ (‘Eeuw van Ovidius’) wordt genoemd. In deze hoogdagen van de Ovidius-adoratie zetten ook vele anonieme dichters zich aan het imiteren van hun grote voorbeeld. Dat resulteerde in een groot corpus van ‘pseudo-Ovidiana’ dat soms als de 'Appendix Ovidiana' wordt aangeduid. Een van de talrijke werkjes in deze verzameling is een kort gedicht met de titel 'Contra Mulieres' (‘Tegen vrouwen’). De tekst gaat in iets meer dan dertig verzen fel tekeer tegen het vrouwelijke geslacht en laat zich ondanks het geveinsde auteurschap van Ovidius er niet van weerhouden om zijn onversneden misogynie kracht bij te zetten met een Bijbels referentiekader.

Philostratos de Jongere, Een wonderlijke Orpheus (3e eeuw n.C.)

Philostratos de Jongere (Φιλόστρατος ὁ Νεώτερος) leefde wellicht in de derde eeuw n.C. en is een vertegenwoordiger van de zogenaamde ‘Tweede Sofistiek’, een culturele periode getypeerd door een hernieuwde belangstelling voor het klassieke Griekse erfgoed. In die tijd was het voor de Grieks-Romeinse elite bon ton om naast literatuur ook beeldende kunsten te bestuderen en te interpreteren. Op naam van deze Philostratos zijn dan ook de 'Εἰκόνες' ofte 'Imagines' overgeleverd, een collectie literaire beschrijvingen van schilderijen waarop mythologische verhalen als in een 'ekphrasis' gedetailleerd tot leven worden gebracht. In het genoemde werk beschrijft Philostratos ook een afbeelding van de legendarische muzikant Orpheus, die bekend stond om zijn vermogen om zelfs dieren en bomen te betoveren met zijn muziek. In het midden van deze tekst focust de auteur op de fascinatie die bomen en vogels ervaren wanneer Orpheus begint te musiceren.

Conrad Celtis, Een nacht met Hasilina (ca. 1490)

Conrad Celtis (1459-1508) was een van de invloedrijkste vroege Duitse humanisten. Na zijn studies in Keulen en Heidelberg werd hij door Keizer Frederik III (1415-1493) gekroond tot 'poeta laureatus' en reisde hij als dichter en docent zowat heel Europa af. Bij zijn terugkeer vatte hij het plan op om de humanistische vernieuwing in zijn vaderland te propageren door het stichten van academies en de uitbouw van een intellectueel netwerk. Celtis liet een indrukwekkende literaire erfenis na van Latijnse gedichten, geografisch prozawerk en diverse tekstedities, waarmee hij het enthousiasme voor het humanistische gedachtegoed in Duitsland heeft gegrondvest. In zijn postuum verschenen 'Libri odarum' (1513) staat een hendecasyllabisch liefdesgedicht voor Hasilina, een getrouwde vrouw op wie hij in 1489 in Krakow verliefd was geworden. Celtis was namelijk ook een notoire rokkenjager, waardoor hij een syfilisbesmetting opliep die hem in 1508 uiteindelijk fataal zou worden.

Valerius Flaccus, De vrouwen van Lemnos (1e eeuw n.C.)

Gaius Valerius Flaccus (ca. 45 n.C.-90 n.C.) was een dichter uit de periode van het zogenaamde ‘Zilveren Latijn’. Zijn aan keizer Vespasianus opgedragen epos 'Argonautica' vertelt het beroemde verhaal van Jason en de Argonauten, zoals de alexandrijnse dichter Apollonios van Rhodos (derde eeuw v.C.) dat ooit in het Grieks had gedaan. In het tweede boek van Flaccus’ gedicht passeren Jason en zijn makkers het eiland Lemnos. De dichter neemt daarbij de gelegenheid te baat om het verhaal te vertellen over de vrouwen van Lemnos die destijds hun echtgenoten uit de weg hadden geruimd, daartoe aangezet door de godin Venus en haar handlangster Fama. Die laatste vliegt het eiland af om de plaatselijke vrouwen op te hitsen tegen hun mannen. Zo verkleedt ze zich in de onderstaande passage (vss. 141-161) als ene Neaera, die haar zus Eurynome ervan wil overtuigen dat haar man nu een barbaarse slavin liefheeft.

Realdo Colombo, Eureka! De clitoris! (1559)

Realdo Colombo (ca. 1515-1559) was de zoon van een apotheker uit Cremona. Na studies in Milaan en Venetië ging hij geneeskunde studeren aan de universiteit van Padua, waar op dat moment de grote Andreas Vesalius (1514-1564) doceerde. Omwille van zijn chirurgische talent werd Colombo niet enkel Vesalius’ vriend en assistent, maar later zelfs zijn opvolger aan de universiteit. Van daaruit trok hij verder om anatomie te gaan doceren in Pisa en Rome, waar hij onderzoek deed met zijn goede vriend Michelangelo (1475-1564). Colombo’s enige gepubliceerde werk, 'De re anatomica', verscheen kort na zijn dood in 1559 en bevatte talloze correcties bij het werk van Vesalius en andere medici. Bij zijn bespreking van de vrouwelijke geslachtsorganen in boek XI claimt de auteur ook persoonlijk de ontdekking van de clitoris. In werkelijkheid was dit bijzondere plekje reeds bekend bij Griekse, Perzische en Arabische medische auteurs, maar Colombo lijkt de eerste te zijn geweest die de vinger legde op de essentiële functie van de clitoris bij de vrouwelijke seksualiteitsbeleving.

Ioannes Geometres, Afscheid van mijn vader (10e eeuw)

Ioannes Geometres (Ιωάννης Γεωμέτρης, ca. 935-1000) was een Byzantijnse dichter, soldaat en monnik uit de tweede helft van de tiende eeuw. Hij kreeg een gedegen opleiding en diende in het Byzantijnse leger vooraleer hij zich terugtrok in het godsdienstige leven. Geometres schreef over een heel breed scala van religieuze en profane thema’s, zowel in proza als in poëzie. Met zijn omvangrijke productie van epigrammen, hymnen, hexametrische, jambische en elegische verzen is hij een sleutelfiguur in de geschiedenis van de Byzantijnse dichtkunst. Een van Geometres’ bekendste gedichten is een ontroerend afscheid van zijn vader, dat misschien geschreven stond naast een geschilderd portret op het graf van de overledene.

Grattius, De zorg voor puppy’s (eerste eeuw n.C.)

Grat(t)ius Faliscus was een Romeinse dichter die leefde ten tijde van keizer Augustus, maar over wie verder zo goed als niets bekend is. Hij is de auteur van de 'Cynegetica', een didactisch gedicht in 541 hexameters over de kunst van de jacht, waarin onder meer advies wordt gegeven inzake verschillende jachttechnieken, praktische benodigdheden en de kweek van honden en paarden. Grattius’ leerdicht lijkt in opbouw en inhoud grotendeels gebaseerd te zijn op werk van de Griekse auteur Xenophon, maar het werd wellicht nooit veel gelezen, zodat de overlevering ervan uiteindelijk van één enkel manuscript afhing. In een aandoenlijke passage beschrijft de auteur hoe moederdier en haar pasgeboren pups moeten worden vertroeteld, zij het met mate ('Cynegetica' 301-311).

Ekkehard I (?), Waltharius op het slagveld (10e eeuw)

De 'Waltharius' is een Vergiliaans aandoend Latijns epos van 1456 verzen, wellicht geschreven in de tiende eeuw door Ekkehard I, een monnik uit het klooster van Sankt Gallen (†973). Het gedicht vertelt de veel oudere Germaanse legende van de held Walther (Waltharius), de zoon van de Visigotische koning Alphere, die in de vijfde eeuw n.C. heerste over Aquitanië. Tijdens zijn jeugd werd Walther door zijn vader als een gijzelaar overgedragen aan de oprukkende Hunnen van Attila. De jongen werkt zich daar op in het leger en komt zelfs aan het hoofd te staan van Attila’s troepen. In deze hoedanigheid gaat hij in opdracht van zijn meester de strijd aan met verschillende opstandige stammen.

Anoniem grafepigram, Voor Pontia (4e eeuw n.C.)

In het ‘Museo Nazionale del Ducato di Spoleto’ wordt een paneel bewaard van een marmeren sarcofaag uit de vierde eeuw n.C., gevonden in het Umbrische plaatsje Carsulae. Het tablet is in tweeën gebroken rond een beschadigd christogram en bevat zowel op de linker- als de rechterzijde de tekst van een Latijns grafepigram (CIL XI 4634 = CLE 1846). In het gedicht wordt de jonggestorven Pontia door haar echtgenoot bewierookt en beweend. De tekst wisselt wat onhandig tussen de tweede en de derde persoon en roept ook nogal wat vragen op (Is Pontia gestorven in het kraambed? Of overreden door een wagen? En wat liep er fout tussen Pontia’s vader en zijn schoonzoon?). Het grafschrift voor Pontia is niettemin een doorvoelde afscheidsgroet voor een jonge christelijke vrouw die gehoorzaam en loyaal mee het leed van haar man had gedragen.

Ioannes Skylitzes, Basileios de Bulgarendoder (ca. 1090)

Ioannes Skylitzes (ca. 1040-na 1101) was een Byzantijnse historiograaf over wiens leven bitter weinig bekend is. Hij is de auteur van de Σύνοψις Ἱστοριῶν (Synopsis Historion - 'Historisch overzicht'), een geschiedenis van de Byzantijnse keizers van 811 tot 1057. Een van de beroemdste passages uit Skylitzes’ werk is de anekdote rond de wreedheid van de Byzantijnse keizer Basileios II Boulgaroktonos (Basileios ‘De Bulgarendoder’, r.976-1025). Het markante gebeuren speelt zich af tijdens de laatste fase van de Byzantijns-Bulgaarse uitputtingsoorlog, waarin Basileios de Bulgaarse tsaar Samuel uiteindelijk versloeg in de Slag bij Kleidion (29 juli 1014). De hallucinante behandeling van de krijgsgevangen Bulgaren in de nasleep van deze veldslag leverde de Byzantijnse keizer Basileios zijn bijzondere bijnaam op.

Jacopo Sannazaro, De geboorte van Christus (1526)

Jacopo Sannazaro (1458-1530), geboren in Napels, was een van de grootste Neolatijnse dichters uit Italië. Een aanzienlijk deel van zijn leven bracht hij door in de hofhouding van belangrijke vorsten, maar later trok hij zich terug om zich volledig aan het schrijven te wijden. Naast zijn Italiaanse bucolische vertelling 'Arcadia', schreef Sannazaro gedurende zijn hele leven ook Latijnse verzen. Aan zijn Latijnse meesterwerk zou hij zelfs meer dan twintig jaar hebben gevijld: 'De partu Virginis' (‘De bevalling van de Maagd’), een uniek voorbeeld van humanistische religieuze poëzie in Vergiliaanse hexameters. In het tweede boek van dit werk beschrijft de dichter de wonderbaarlijke geboorte van Jezus Christus.

Jan Adornes, De vrouwen van Alexandrië (1471)

Jan (Johannes) Adornes (1444-1511) was de oudste zoon van de bekende Brugse humanist Anselm Adornes. Samen met zijn vader trok hij in 1470 op pelgrimstocht naar het Heilige Land, een reis die hen via Genua, Tunis, Egypte en de Sinaï uiteindelijk naar Jeruzalem bracht. Na hun terugkeer via Damascus, Beiroet, Cyprus, Rhodos en Brindisi zette Jan Adornes zich thuis in Brugge aan het schrijven van een gedetailleerd en levendig 'Itinerarium'. Dankzij de nieuwsgierige en tolerante blik van de pelgrims vormt dit reisverslag ook nu nog niet alleen erg boeiende lectuur, maar ook een onschatbare bron voor de laatmiddeleeuwse cultuurgeschiedenis. Zo bevindt het reisgezelschap zich midden juli 1470 in de Egyptische havenstad Alexandrië, waar ze de kledij bewonderen van de plaatselijke moslimvrouwen.

Theano, Huwelijksadvies voor Eurydike (6e eeuw v.C.?)

Vrouwelijke Griekse filosofen? Ze bestaan! Een van de interessantste figuren in dit gezelschap was Theano, die tijdens de oudheid als volgeling, maar ook als echtgenote of dochter van Pythagoras (zesde eeuw v.C.) werd gezien. De aforismen en brieven die op haar naam werden overgeleverd, zijn vermoedelijk echter pas vele eeuwen later geschreven, door auteurs van wie we de namen niet meer kunnen achterhalen. Theano wordt in deze teksten neergezet als een verstandige vrouw met autoriteit, mensenkennis en gevoel voor humor. In de ‘Brief aan Eurydike’ verklaart en vergoelijkt de filosofe mannelijke ontrouw op basis van fysiologische oorzaken en adviseert ze haar vriendin om in zo’n situaties geen jaloezie te koesteren.

Alfredo Bartoli, De eerste sneeuw (1901)

Alfredo Bartoli (1872-1954) werd geboren nabij het Toscaanse Pistoia als een arme boerenjongen, maar hij ging ondanks zijn afkomst toch studeren en werkte zich zelfs op tot leraar, dichter en publicist. Zijn hele leven door schreef hij ook Latijnse poëzie en vele van zijn composities vielen in de prijzen. In 1901 was Bartoli te gast bij een vriend in het Noord-Italiaanse stadje Biella, aan de oevers van de Cervo en in het zicht van de Alpen. Tijdens dit studieverblijf werd hij heerlijk verrast door de eerste sneeuw, een gebeuren dat hem niet enkel terugbrengt naar zijn kindertijd, maar ook verzen van grote Latijnse dichters in hem oproept. Het inspireerde Bartoli tot een melancholisch Latijns gedicht met de titel 'Prima Nix'.

Aulus Gellius, De fluit van Alkibiades (2e eeuw n.C.)

Aulus Gellius (ca. 125-ná 180 n.C.) werd geboren in Rome, maar ging filosofie studeren in Athene. Tijdens zijn lange verblijf in Griekenland verzamelde hij een immense collectie van wetenswaardigheden over literatuur, filosofie, geschiedenis en taalkunde. Terug in Rome werkte Aulus Gellius dit materiaal uit in de twintig boeken van zijn 'Noctes Atticae', genoemd naar de vele nachtelijke studie-uren van zijn verblijf in Athene. In het vijftiende boek (XV.17.1-3) vertelt Gellius een ‘muzikale’ anekdote over de jeugdjaren van de roemruchte, maar ijdele Alkibiades.

Johannes Flemingus, Tranen om Neaera (ca. 1550)

Johannes Flemingus (Jan Vleminck, ca. 1527-1568), heer van Wijnegem, reisde in zijn jeugdjaren de beschaafde wereld rond en vertoefde overal in de hoogste kringen. Als bankier, koopman en mecenas speelde hij vervolgens een vooraanstaande rol in het economische en culturele leven van Antwerpen. Flemingus was echter ook een groot humanist met een opmerkelijk dichterlijk talent. Van zijn Neolatijnse gedichten is een selectie bewaard dankzij zijn innige vriend, de arts en taalkundige Goropius Becanus. In een van deze zestien overgebleven gedichten beweent Flemingus – volledig in het spoor van Janus Secundus – het vertrek van zijn liefje ‘Neaera’.

Anoniem papyrusfragment, Toverformule voor de toegang tot een vagina (4e eeuw n.C.)

De Griekse magische papyri ('Papyri Graecae Magicae' of 'PGM') vormen een fascinerend corpus van papyrusteksten uit het Grieks-Romeinse Egypte, vol magische spreuken, formules, hymnen en rituelen. Een opvallende categorie in deze collectie bestaat uit ‘erotische’ toverteksten die mannen moeten helpen om toegang te krijgen tot een vrouw en die vervolgens aan zich te binden. Dat kon bijvoorbeeld via een φυσικλείδιον, een ritueel dat de man een ‘sleutel’ (κλείς) zou verschaffen tot het (vrouwelijke) geslachtsorgaan (φύσις), zoals in PGM XXXVI.283-294, een tekst uit de vierde eeuw n.C.

Valerius Maximus, De trouw van Tertia Aemilia (1e eeuw n.C.)

Over Valerius Maximus is weinig bekend, behalve dan dat hij werkzaam was tijdens de eerste decennia van de 1e eeuw n.C. Hij was de auteur van negen boeken 'Facta et dicta mirabilia', een grote collectie anekdoten die hij samenbracht als een grabbelton van moraliserende verhalen voor het retorische onderwijs. Valerius Maximus’ verzamelboek was gigantisch populair in het onderwijs van de middeleeuwen en de vroege renaissance, en diende zelfs als inspiratie voor auteurs als Boccaccio en Chaucer. De meeste van zijn verhalen komen uit de nobele Romeinse geschiedenis, zoals ook dat over de echtelijke trouw van Tertia Aemilia (VI.7.1).

Janus Secundus, Door Cupido getroffen (ca. 1531)

'Onze' Janus Secundus (1511-1536) is natuurlijk onsterfelijk geworden door zijn 'Basia', een collectie van negentien weergaloze zoengedichten. Door het overweldigende succes van die dichtbundel heeft de rest van Secundus' omvangrijke oeuvre jammer genoeg veel minder aandacht gekregen. Zo schreef het jonggestorven wonderkind onder meer ook drie boeken 'Elegieën', waarvan het eerste deel 'Monobiblos' wordt genoemd en integraal gewijd is aan Secundus' liefje Julia. In het openingsgedicht van die bundel vertelt de dichter hoe hij getroffen werd door de pijlen van zijn meester Cupido.

John Barclay, De drankzucht van de Duitsers (1614)

John Barclay (1582-1621) was een Schotse Neolatijnse auteur die een groot deel van zijn leven doorbracht in Frankrijk, Engeland en Rome, waar hij uiteindelijk zou sterven. Hij schreef commentaren, poëzie en vooral Latijns proza, met de romans 'Euphormionis Satyricon' en 'Argenis' als opmerkelijkste werken. Daarnaast was Barclay echter ook de auteur van het 'Icon Animorum', een uitgesponnen essay over de zeden en de gewoonten van zijn Europese tijdgenoten. De Duitsers worden er neergezet als onverbeterlijke dronkenlappen (V.4).

Ariphron van Sicyon, Paian voor Hygieia (5e eeuw v.C.)

Ariphron (Ἀρίφρων) van Sicyon was een Griekse lyrische dichter die werkzaam was tijdens de laatste decennia van de vijfde eeuw v.C. Het enige wat van zijn werk tot ons is gekomen, is zijn 'Paian voor Hygieia' ('Παιὰν εἰς Ὑγίειαν'), een lofzang voor de godin van de gezondheid. Het stuk werd misschien gecomponeerd voor de Asklepioscultus in Athene en is onder meer bewaard in Athenaios' 'Deipnosophistai' (XV.701).

Jacques de Vitry, De vrouw van de duivel (13e eeuw)

Jacques de Vitry (ca. 1165/1180-1240) was een Franse historicus, theoloog en kardinaal. Tijdens de vijfde kruistocht trok hij naar het Heilig Land en werd er een tijdlang bisschop van Akko. De Vitry is onder meer auteur van de 'Historia Hierosolymitana', een belangrijke bron voor de historiografie van de kruistochten. Daarnaast schreef hij echter ook talloze brieven en preken, waarin hij graag verhalen verwerkte die als stichtende voorbeelden ('exempla') konden dienen. In een van die verhalen ('Exempla XX') huwt een duivel met een heel vervelende vrouw.

Daniël Heinsius, De zielenzoen van Roosje (1610)

Daniël Heinsius (‘Heyns’, 1580-1655) was een van de meest getalenteerde humanisten uit de Lage Landen. Hij werd geboren in Gent, maar was bijna zijn hele leven actief in Leiden, waar hij grote faam genoot als uitgever van klassieke tekstedities en als hoogleraar Grieks aan de universiteit. Heinsius schreef een omvangrijk oeuvre samen van Latijnse maar ook van Griekse poëzie, in uiteenlopende versmaten en genres. In een van zijn Latijnse gedichten met de titel 'Erotopaegnium' bezingt de dichter een zoentje van zijn liefje 'Rossa', dat hem van zijn ziel berooft.

Giovanni Pontano, Een bloem van een meisje (1502)

De grote Italiaanse humanist Giovanni Gioviano Pontano (1426-1503) is ongetwijfeld een van de allerbeste Neolatijnse dichters. In zijn omvangrijke oeuvre bevindt zich ook een minder goed bekende collectie 'Tumuli', twee boeken grafgedichten voor echte en imaginaire overledenen. Het eerste boek bevat een aangrijpend gedicht (I.51) waarin de geest van het jonggestorven meisje Jelsemina de voorbijganger aanspreekt. De god Hymenaeus heeft Jelsemina intussen veranderd in een bloem, misschien wel de gele jasmijn of 'Gelseminum sempervirens'.

Joseph Scaliger, De wonderen van Holland (ca. 1602)

Joseph Justus Scaliger (1540-1609) werd geboren in Frankrijk, maar vertoefde een groot stuk van zijn leven in de Lage Landen, waar hij actief was aan de universiteit van Leiden. Scaliger schreef vooral filologische werken, tekstedities van Latijnse auteurs en een antieke chronologie. In zijn populair geworden 'Carmen de mirandis Bataviae' ('Gedicht over Hollands wonderen') bezingt hij in zeven disticha de wonderen van Holland, maar dit in het Oudgrieks. Brontekst, vertaling en annotaties verschenen ook in Hellas hier!

Gesta Romanorum, De onrechtvaardige rechter (14e eeuw)

De 'Gesta Romanorum' is een anoniem overgeleverde collectie van anekdotes en legenden, die wellicht werd samengesteld op het einde van de 13e of aan het begin van de 14e eeuw. Het werk bestaat uit meer dan tweehonderd moraliserende verhalen die zich grotendeels afspelen in de tijd van de Romeinse keizers (vandaar de titel). De 'Gesta Romanorum' was uitermate populair in de middeleeuwen, werd in tal van volkstalen vertaald en gaf inspiratie aan Boccaccio, Chaucer en Shakespeare. De negenentwintigste vertelling gaat over een keizer en zijn draconische aanpak van malafide rechters.

Marc-Antoine Muret, De zegens van Latijn en Grieks (1583)

Marc-Antoine Muret (‘Muretus’, 1526-1585) was een van de grootste Franse humanisten uit de zestiende eeuw. Hij kende een bewogen leven dat hem als professor bracht naar talloze steden in Frankrijk en Italië. Muretus liet ook een omvangrijk en gevarieerd Latijns oeuvre achter, met zowel proza (redevoeringen, commentaren en brieven) als poëzie (tragedies, elegieën, satiren, oden en epigrammen). In een van zijn redevoeringen (Oratio XVIII) zingt hij de lof van de schoonheid en de universele bruikbaarheid van de klassieke talen Latijn en Grieks.

Anoniem grafepigram, Voor Pareltje (2e-3e eeuw n.C.)

In het British Museum wordt een fraaie marmeren grafstèle bewaard met een bijzonder epigram (CIL VI 29896) voor het overleden hondje Margarita ('Pareltje'). Het anonieme gedicht, wellicht geschreven in Rome tijdens de tweede of derde eeuw n.C., verwijst in het eerste vers naar een grafgedicht voor Vergilius, maar valt vooral op door de menselijke manier waarop het hondje vanuit het graf tot ons spreekt. Het is duidelijk dat Pareltje een bijzonder huisdier moet zijn geweest, geliefd en betreurd door haar ongetwijfeld aristocratische Romeinse baasjes.

Pamphile van Epidauros (?), Het leven van Lyde (1e eeuw n.C.?)

Het korte werkje 'Tractatus de mulieribus claris in bello' (Γυναῖκες ἐν πολεμικοῖς συνεταὶ καὶ ἀνδρεῖαι – ‘Vrouwen verstandig en dapper in de oorlog’) is een verzameling van veertien Griekse biografietjes van beroemde antieke vrouwen. De collectie is anoniem overgeleverd, maar zou wel eens van de hand kunnen zijn van Pamphile van Epidauros, een historica van Egyptische origine die ten tijde van keizer Nero (midden eerste eeuw n.C.) in Griekenland werkzaam was. De negende biografie behandelt het leven van Lyde, de kleindochter van de roemruchte Gyges en grootmoeder van de grote Lydische koning Kroisos.

Pseudo-Ovidius, De hartstocht van Pamphilus (12e eeuw)

Een van de invloedrijkste pseudo-Ovidiaanse werkjes uit de twaalfde eeuw is het anoniem overgeleverde 'Pamphilus sive de amore' (‘Pamphilus, ofte over de liefde’), een komisch stuk in 780 elegische verzen. Het gedicht was erg populair in het klaslokaal en zou via excerpten, vertalingen en anthologieën op diverse wijzen doorwerken in de volkstalige en Latijnse literatuur van de late middeleeuwen. In het verhaal wordt de ‘held’, Pamphilus, verliefd op de maagdelijke Galatea, maar durft hij haar aanvankelijk nauwelijks te benaderen, getroffen als hij is door haar buitenaardse schoonheid.

Ausonius, Mijn moederstad Bordeaux (4e eeuw n.C.)

Decimus Magnus Ausonius (ca. 310-395) werd geboren in Burdigala (het huidige Bordeaux), maar kwam als docent, dichter en politicus terecht in Trier en Rome. In zijn 'Ordo Urbium nobilium' geeft hij een overzicht van twintig belangrijke steden uit het Imperium Romanum, beginnend bij Rome en eindigend bij zijn eigen moederstad Bordeaux. Ausonius toont zich in dit laatste gedicht als een ware Gallo-Romein, die trots is op de grootsheid van Rome, maar evenzeer dweept met de schoonheid van zijn vaderland.

Anonymus, Homerische Hymne voor Pan (5e eeuw v.C.)

De 'Homerische Hymnen' zijn wellicht ten onrechte toegeschreven aan de grote epische dichter Homeros (achtste eeuw v.C.) en dateren in werkelijkheid uit latere eeuwen. In deze bonte collectie lofzangen voor de goden is de 'Hymne voor Pan' een van de minder bekende stukken. Het gedicht bezingt de god van herders, fluitmuziek en wilde landschappen, die bekend staat om zijn onbeschaafde karakter.

Anoniem papyrusfragment, Bruiloftslied (ca. 4e eeuw n.C.)

Op een papyrus uit het Egyptische Hermopolis (Eshmumen), nu bewaard in de John Rylands Library (n°17), is een kort en anoniem bruiloftslied of epithalamion overgeleverd. Het Griekse gedichtje, niet langer dan zes hexameters, is een cento van epische woorden en frasen, gecomponeerd voor een huwelijksplechtigheid.

Desiderius Erasmus, De macht van Cupido (1487?)

De grote Desiderius Erasmus van Rotterdam (ca. 1467-1536) staat natuurlijk vooral bekend om zijn monumentale prozawerken, zoals zijn 'Lof der Zotheid', zijn 'Adagia' en zijn immense Latijnse correspondentie. Tijdens de eerste helft van zijn leven besteedde hij echter evenveel energie aan het componeren van poëzie als aan het schrijven van proza. Erasmus’ omvangrijke dichterlijke oeuvre behandelt vooral opvoedkundige, politieke en theologische thema’s, maar er komt ook liefdespoëzie in voor, zoals een vroege 'Elegie over de machtige Cupido met zijn boog en pijlen', waarvan hier de beginverzen.

Jacobus Eyndius, Lucia’s vlammende lokken (1611)

Jacobus Eyndius (Jacob van den Eynde, 1575-1614) was een dichter, wetenschapper, historicus en legerkapitein, geboren in het Nederlandse Delft. Zijn beroemdste werk zijn de postuum gepubliceerde 'Chronici Zelandiae libri duo', een Latijnse geschiedenis van Zeeland in proza. Daarnaast schreef Eyndius echter ook heel wat Latijnse poëzie, in het bijzonder de opmerkelijke collectie 'Hydropyrica' ofte 'Gedichten van water en vuur'. In deze liefdesgedichten voor Lucia wordt de tegenstelling tussen water en vuur op tientallen gevarieerde wijzen uitgewerkt, zoals in dit elfde gedicht uit de bundel.

Robert de Monnik, Urbanus II roept op tot de Eerste Kruistocht (ca. 1107-1120)

Op 27 november 1095 hield de zestigjarige paus Urbanus II op een veld bij Clermont-Ferrand voor een grote menigte een van de meest invloedrijke toespraken uit de wereldgeschiedenis. Met een meeslepende retoriek en een groteske evocatie van gruwelijke en blasfemische taferelen deed hij de verontwaardiging van zijn toehoorders zo oplaaien dat ze de wapens opnamen om Jeruzalem van de moslims te bevrijden. De meest indrukwekkende versie van Urbanus’ succesvolle redevoering, die het startsein vormde voor eeuwenlange bloederige kruistochten, kan men lezen in de 'Historia Hierosolimitana' van Robertus Monachus (ca. 1055-1122).

Philodemos, De charmes van Charito (1e eeuw v.C.)

Philodemos van Gadara (ca.110-ca.30 v.C.) was afkomstig uit het huidige Jordanië, maar studeerde in Athene en Rome. Hij ontwikkelde zich tot epicuristisch filosoof en auteur van diverse filosofische traktaten die in de bibliotheek van de Villa dei Papiri in Herculaneum werden bewaard. Daarnaast schreef Philodemos echter ook poëzie: in de 'Anthologia Graeca' staan 34 epigrammen op zijn naam, waarin vaak de passionele liefde en de schoonheid van vrouwen worden bezongen. In gedicht V.13 bejubelt hij de fris gebleven lieflijkheid van de rijpe Charito.

Rafael Landívar, De hitte van de Jorullo (1781)

Rafael Landívar (1731-1793) werd geboren in Guatemala en trad toe tot de jezuïeten. Toen die religieuze orde uit de Spaanse gebieden werd gezet, trok Landívar naar Europa en vestigde hij zich in Bologna. Daar publiceerde hij in 1781 zijn Rusticatio Mexicana ('Het Mexicaanse landleven'), vijftien boeken Latijnse hexametrische poëzie waarin hij vol heimwee terugkijkt naar zijn verloren vaderland. In het tweede boek bezingt Landívar de spectaculaire vulkaan van Jorullo in Centraal-Mexico.

Flavio Biondo, Een ketterse sekte (1474)

De Italiaanse humanist Flavio Biondo (1392-1463) is de auteur van het monumentale Italia illustrata, een historische geografie waarin hij veertien regio's van het Italische schiereiland beschrijft. In zijn behandeling van de regio Piceno (boek III) voegt Biondo een markante uitweiding in over een plaatselijke ketterse beweging die zich tegen de pausen van Rome verzette.

Flavios Filostratos, Flirten met de barvrouw (2e-3e eeuw n.C.)

Flavios Filostratos (ca. 170-ca. 240 n.C.) was een Griekse sofist uit Athene. Op zijn naam (of die van diverse naamgenoten) staan tal van werken overgeleverd, onder meer een collectie Ἐπιστολαί (‘Βrieven’). Filostratos’ tweeëndertigste briefje is een flirterige liefdesverklaring, gericht tot een 'γυνὴ καπηλίς' ofte een herbergierster.

Adriaan Reland, Een brief voor Galatea (1701)

Adriaan Reland (Hadrianus Relandus, 1676-1718) was een Nederlandse oriëntalist, cartograaf en dichter. In zijn studentenjaren schreef hij een bundel van dertien Neolatijnse elegieën, die onder de titel 'Galatea, Lusus poeticus' zonder zijn medeweten door een vriend aan de drukpers werd toevertrouwd. De uitgave had een immens succes en maakte Relandus tot een van de beste Neolatijnse dichters uit de Lage Landen. Op het einde van de tiende elegie beklaagt de dichter zich dat zijn afwezige liefje Galatea hem geen geruststellende brieven schrijft.

Olaus Magnus, De kunst van het skiën (1555)

Olaus Magnus (Olof Månsson, 1490-1557) was een Zweedse rooms-katholieke geleerde, diplomaat en aartsbisschop. In 1555 verscheen zijn Historia de gentibus septentrionalibus (‘Geschiedenis van de noordelijke volken’), een omvangrijke geschiedenis, geografie en etnografisch-folkloristische beschrijving van Scandinavië, die een immense populariteit kreeg in heel Europa. In het werk staat ook de alleroudste gedetailleerde beschrijving van de kunst van het (tour)skiën, door Olaus Magnus gesitueerd in Scricfinnia, in het huidige Noorwegen.

Anonymus, Tweede Homerische hymne voor Apollo (ca. 5e eeuw v.C.)

Drieëndertig 'Homerische hymnen' zijn er op naam van Homeros (achtste eeuw v.C.) overgeleverd, maar ondanks hun Homerische taal en metrum, dateren deze gedichten in werkelijkheid stuk voor stuk uit latere tijden. Twee lofzangen in deze collectie zijn opgedragen aan de god Apollo, de god van de muziek en het licht. Het kortste van beide hymnen (XXI) bestaat slechts uit vijf hexameters en dateert wellicht uit de vijfde eeuw v.C.

Karl Egger, Het Alpenkruis (1960)

Karl Egger (1914-2003) uit Zuid-Tirol was een priester die als pauselijk secretaris lange tijd verantwoordelijk was voor de vertaling van documenten naar het Latijn in het Vaticaan. Hij werkte onder meer aan het 'Lexicon recentis Latinitatis', een woordenboek met Latijnse termen voor hedendaagse begrippen. Daarnaast publiceerde hij een 'Tirolensia Latina', een Latijnse literaire hommage aan zijn oude Heimat. Het boekje bevat voornamelijk prozateksten, maar ook een fraaie Latijnse elegie waarin Eggers liefde voor de bergen en zijn religieuze denken op een unieke wijze samenkomen.

Joachim du Bellay, Voor de deur van Faustina (1558)

Joachim du Bellay (ca. 1522-1560) is natuurlijk vooral bekend omwille van zijn Franse poëzie en zijn lidmaatschap van de dichterskring de 'Pléiade'. Tijdens een lang verblijf in Rome schreef hij echter ook een ruime collectie Neolatijnse gedichten, die in 1558 in Parijs werden gepubliceerd. In zijn bundel elegieën onder de titel Amores beschrijft du Bellay onder meer een liefdesaffaire met het Romeinse meisje Faustina, zoals in dit korte 'paraklausithyron' (de liefdesklacht voor een gesloten deur).

Guillaume Caoursin, De belegering van Rhodos (ca. 1482)

Guillaume Caoursin (1430-1501) was als Franse hospitaalridder in 1480 ooggetuige van de belegering van Rhodos door de Ottomanen onder leiding van Mehmed Pasha. In zijn populaire 'Obsidionis Rhodiae urbis descriptio' beschrijft hij hoe de eendrachtige katholieke en orthodoxe verdedigers van de stad een ultimatum van de Ottomanen van de hand wezen.

Giovanni Marrasio, Voor de goddelijke Angelina (ca. 1429)

Giovanni Marrasio († 1452) was afkomstig uit het Siciliaanse Noto, maar bracht een groot stuk van zijn leven door in Siena en Ferrara. Daar ontwikkelde hij zich te midden van grote tijdgenoten tot een van de eerste Neolatijnse dichters. Marrasio's 'Angelinetum' (ca. 1429) is een bundel liefdesgedichten voor zijn liefje Angelina en daaruit komt dit zesde gedicht: 'Ad divam Angelinam' ('Voor de goddelijke Angelina').

Michael Marullos, De gaven van Neaera (ca. 1488)

Michael Marullos (Μιχαήλ Μάρουλλος, ca. 1453-1500) was een kind van Griekse ouders die na de val van Constantinopel naar Italië waren gevlucht. Daar werd hij niet alleen huursoldaat, maar ook een prominente Neolatijnse dichter. Zo schreef Marullos onder meer een rijke collectie van bijna tweehonderd Epigrammata, in diverse metra en met uiteenlopende thema's. Zijn epigram II.48 is een lofzang voor het bekoorlijke, maar evenzeer gesofisticeerde meisje 'Neaera'.

Olympia Fulvia Morata, Brief vanop haar sterfbed (1555)

De Italiaanse Neolatiniste Olympia Fulvia Morata (1526-1555) was een vastberaden protestante, die met haar echtgenoot naar Duitsland vluchtte voor de inquisitie. Bij de gewelddadige inname van Schweinfurt verloor ze quasi al haar geschriften en tevens haar goede gezondheid. Op 26 oktober 1555 schrijft ze vanop haar sterfbed een laatste Latijnse brief aan haar mentor 'Caelius Secundus Curio'.

Pseudo-Ovidius, Een lofzang voor je meisje (ca. 1130-1140)

In de twaalfde eeuw (de 'aetas Ovidiana') schreef een anonieme dichter in navolging van Ovidius' Ars amatoria ook zelf een handleiding tot de liefde. In dit 'De amore' demonstreert hij bijvoorbeeld hoe je een meisje het best kunt verleiden met een uitgebreide lofzang op haar schoonheid (vss. 83-104).

Giovanni Pontano, Ik wil jou naturel! (ca. 1500)

De Italiaanse humanist Giovanni Gioviano Pontano (1426-1503) was niet alleen een veelzijdig historicus en filosoof, maar ook een van de meest virtuoze Neolatijnse dichters. Een groot deel van zijn dichterlijke oeuvre bestaat uit elegante, soms pikante, maar altijd sprankelende liefdespoëzie, zoals dit korte 'Ad puellas' (Eridanus II.9).

Vincent Obsopoeus, De kunst van het drinken (1536)

De Duitse humanist en Neolatijnse dichter Vincent 'Obsopoeus' Heidnecker (ca. 1498-1539) publiceerde in 1536 een 'De arte bibendi'. In navolging van Ovidius' 'Ars amatoria' leert hij ons in drie boeken hoe te drinken met mate, hoe vrienden te maken op een receptie en hoe drinkwedstrijden te winnen. Dit is zijn aanhef.

Antonio Beccadelli, Voor Lentulus (1425)

Antonio Beccadelli ('Panormità', 1394-1471) is een van de interessantste figuren uit de vroege Italiaanse renaissance. Hij werd vooral bekend om zijn collectie obscene en provocatieve Neolatijnse gedichten 'Hermaphroditus' (1425), waaruit dit epigrammetje voor 'Lentulus'.

Jacopo Sannazaro, Van nimfen tot wilgen (1526)

Jacopo Sannazaro (1456-1530) was een van de grootste Neolatijnse dichters van de Italiaanse renaissance. In zijn epyllion 'Salices' (1526) ontsnapt een schare nimfen slechts aan de achtervolging van geile saters door te veranderen in wilgen. Hun metamorfose vindt plaats in deze slotscène.